Interview

Acht visiestatements, één dubbelinterview over digitale leermaterialen

Dubbelinterview

"De online lessen van deze tijd hebben dringend aantrekkelijke online leermaterialen nodig"

De zone Naar digitale (open) leermaterialen ontwikkelde een visie op leermaterialen en praktische bouwstenen om er te komen. Aanvoerder Robert Schuwer en werkgroeplid Hilde van Wijngaarden bespreken de acht visiestatements in één dubbelinterview.

Het visiedocument is opgedeeld in acht statements. Daarvan gaan er drie over werken vanuit een onderwijsvisie:

  1. Iedere instelling heeft een visie op het verwerven, beheren, gebruiken en delen van leermaterialen, passend bij de visie op onderwijs.
  2. De onderwijsvisie is bekend bij, gedragen door en zoveel mogelijk geïmplementeerd door de direct betrokkenen bij het onderwijs (docenten en supportorganisatie).
  3. Keuzes van en behoeften aan leermaterialen volgen de visie op het onderwijs(ontwerp) van de instelling / eenheid. De leermaterialen dienen een doel dat met het beoogde onderwijs bereikt dient te worden.

Waarom ligt er zo veel nadruk op die onderwijsvisie?

Robert: “Meestal bestaat er wel een onderwijsvisie op instellings- of faculteitsniveau, maar er wordt zelden  ook een visie op leermaterialen van afgeleid. Voorheen was er ook niet veel keuze over het materiaal: je had boeken of readers. Doordat digitale leermaterialen in onnoemelijk veel vormen bestaan, moeten we benadrukken dat de vorm ervan niet leidend moet zijn, maar voortkomt uit een visie.”

Hilde: “Het onderwerp content wordt altijd vergeten. Zonder content in de juiste vorm kun je je onderwijs niet vernieuwen.”

Dat klinkt niet al te controversieel. Welk statement roept meer discussie op?

Robert: “Dat is zonder twijfel statement 7.

Leermaterialen en de licenties daarop worden gezamenlijk of door individuele instellingen ingekocht. Deze worden betaald door de instellingen afzonderlijk, of gezamenlijk onder bepaalde voorwaarden.”

Dat studenten hun eigen leermateriaal moeten kopen, stellen we ter discussie

- Robert Schuwer & Hilde van Wijngaarden

Hilde: “Ik vind dit het belangrijkste statement waartoe we gekomen zijn. We móeten dit uitzoeken. Volgens de Nederlandse wet moeten studenten hun eigen leermateriaal kopen. Het zou veel te duur zijn om het als instelling te doen. Maar de wet werkt niet meer in het huidige tijdsgewricht. Digitale leermaterialen kunnen moeilijk door individuele studenten worden gekocht en worden dus niet, of toch al, door de bibliotheek gekocht. Met deze wet verplicht je studenten bijna om papier te kopen, want digitaal kan dit model niet werken.”

Robert: “De wet zegt ook dat er altijd een alternatief moet zijn voor het leermateriaal dat je voorschrijft. In het analoge tijdperk waren studenten dan aangewezen op de bibliotheek of op tweedehands boeken. Bij digitaal leermateriaal is het een stuk lastiger, want licenties zijn aan personen gekoppeld. Je kunt ze niet onderling uitwisselen. Bibliotheken hebben hooguit een stuk of vijf licenties beschikbaar.”

Biedt het instellingen voordelen om zelf leermaterialen en licenties in te kopen?

Robert: “Op het moment dat een instelling de materialen aanschaft en de licenties betaalt, dan ben jíj de partij waarmee uitgevers zakendoen. Dat geeft mogelijkheden om gezamenlijk op te trekken. Daardoor sta je sterker in onderhandelingen over onder meer voorwaarden, gebruikersrechten en gebruiksdata. Bovendien kunnen instellingen besluiten om een deel van de middelen niet te besteden aan commerciële content, maar aan het zelf creëren en beschikbaar maken van open content.”

Daarmee komen we bij het onderwerp ‘middelen’. Neem statement 5.

Iedere instelling heeft een organisatorische infrastructuur, waarbinnen de ondersteuning voor docenten en studenten – voor het samenstellen en gebruiken van hun optimale mix van leermaterialen – geborgd is. Hieronder valt ook het borgen van voldoende tijd voor docent en ondersteunende staf.

Hoeveel geld gaat dat de instellingen kosten?

Robert:”‘De organisatorische infrastructuur is er al in veel instellingen, maar vaak weten docenten de bibliotheek niet te vinden of zijn er te weinig mensen beschikbaar. Daar zit een groot gat.”

Hilde: “Ik ben bang dat mensen denken dat er allerlei nieuwe dingen opgetuigd moeten worden, maar alles wat we voorstellen, is er eigenlijk al. Gezamenlijke inkoop? De bibliotheken kopen al gezamenlijk in – voor onderzoek. Dat doen we samen met SURF, dat daar een inkoopbureau voor heeft en onze licenties beheert. Zet diezelfde organisatie gewoon in voor onderwijs.”

En wat is er al beschikbaar op het gebied van de technische infrastructuur? Zie statement 6:

Er is een technische infrastructuur aanwezig – nationaal of per instelling – die het mogelijk maakt om op één plek vanuit de persoonlijke leer- en werkomgeving, laagdrempelige toegang te verkrijgen tot alle digitale leermaterialen voor het hoger onderwijs. Dit gaat om zowel open, semi-open als gelicenseerde leermaterialen (van uitgevers). Ook is de privacy van gebruikers gewaarborgd en ligt het eigenaarschap van gebruiksdata bij de instellingen.

Hilde: “Met de stappen die we nu zetten met Edusources (voorheen SURF Sharekit) hebben we een mooie structuur liggen voor het delen van open leermaterialen. Eenzelfde infrastructuur zouden we kunnen gebruiken voor het breder delen van commercieel materiaal. Dat is technisch mogelijk, maar organisatorisch nog behoorlijk ingewikkeld, vooral ook als het gaat om het businessmodel voor uitgevers. We kunnen wellicht onderzoeken of de manier van werken in het onderzoeksdomein ook voor onderwijs bruikbaar zou zijn.”

Welke misverstanden bestaan er nog meer over de visie?

Robert: “Wat we niet willen, is content op één plek opslaan. Het moet alleen vanuit één plek bereikbaar zijn. Evenmin streven we naar honderd procent open onderwijs. De horizon van de visie is 2025, dus dat kun je sowieso vergeten. Het open materiaal dekt misschien twintig procent. En het commerciële materiaal, de andere tachtig procent, is ook vaak goed. De platforms die de uitgevers bieden, zijn heel rijk en interactief. Maar als we een alternatief willen naast het commerciële model, dan moeten we wel voldoende aandacht schenken aan het delen van open leermaterialen, want dat komt er niet vanzelf.”

Voor één visiestatement is het niet gelukt om bouwstenen te ontwikkelen, namelijk statement 3.

In waarderingssystemen worden docenten die vanuit een onderwijsvisie werken –met een daarbij passende mix van leermaterialen – en dat uitdragen en delen met hun collegas, daarvoor gewaardeerd. Daaronder valt ook het waarderen van het open delen en hergebruiken van leermaterialen.

Waarom komt die er zo bekaaid af?

Hilde: “We adviseren om aan te sluiten bij het al lopende Recognition & Rewards-initiatief van VSNU, dat is geïnspireerd door open science. Ook van open leermaterialen kun je de impact bepalen. Hoe vaak wordt het hergebruikt? Hoe vaak wordt ernaar verwezen. Het initiatief moet dan wel worden uitgebreid naar het hbo.”

Het achtste statement luidt:

Er is een landelijk afsprakenstelsel met leveranciers van leermaterialen ten aanzien van privacy, standaarden en gebruiksdata. Daarbij is in ieder geval vastgelegd dat instellingen toegang hebben tot data, die met processen rond toegang tot en gebruik van digitale leermaterialen samenhangen.

Waarom hebben instellingen data van uitgeverijen nodig?

Robert: “Als je dat niet goed regelt, weet een commerciële externe partij meer over jouw onderwijs dan jij als instelling. Wie is er dan eigenaar van het onderwijs? Ik vind dat zorgwekkend.”

Hilde: “Het gaat om het beschermen van publieke waarden. Uitgevers gebruiken onderwijsdata voor commerciële doeleinden, instellingen willen ze inzetten om het onderwijs te verbeteren. Daarom moet het eigenaarschap over de data bij de instellingen liggen, niet bij de uitgevers.”

Om die publieke waarden beter te beschermen, moeten instellingen meer samen optrekken. Kunnen ze nog meer doen?

Hilde: “Het begint met beter doorhebben hoe de cyclus werkt. Doordat er weinig aandacht is voor content in onderwijsvisies, is er weinig aandacht voor content in onderwijsvernieuwing. De docent zoekt zelf content, zich niet altijd realiserend dat daar hulp bij mogelijk is van de bibliotheek. Al die partijen moeten beter met elkaar worden verbonden. Gelukkig hebben we het tij mee. Door de coronacrisis is er meer online content nodig. De aandacht van bibliotheken gaat nu uit naar digitaal leermateriaal. Docenten realiseren zich nu dat het boek ook digitaal beschikbaar is en dat je er dan vaak nog iets anders mee kan doen dan het in zijn geheel op de leeslijst zetten. Die ontwikkeling zouden we graag willen vasthouden, ook als we straks allemaal gevaccineerd zijn.”

Interview: Marjolein van Trigt

 

Headerfoto door Rob Laughter via Unsplash

Deel deze pagina